De adoptie

Toen Herbert en Lydia hoorden dat ze geen kinderen konden krijgen moesten ze huilen. Er brak een moeilijke periode aan, vol verdriet en therapie. Maar op een goede dag keken ze elkaar aan en namen een besluit. Hun onvruchtbaarheid zou tot iets positiefs leiden: het redden van een behoeftig kind uit de armoede.

Ze schreven een lange brief aan een weeshuis in een heel arm land, troffen de noodzakelijke regelingen en boekten een vlucht naar hun kind. De reis was lang en oncomfortabel, maar het stel arriveerde met een licht gemoed en innerlijke rust.

Meneer Tadish, de directeur van het weeshuis, heette hen welkom bij de ingang, streek over zijn snor en gaf een teken aan een verpleegster met grijs haar die onmiddellijk een klein mannetje gekleed in een donkerblauw pak met een strikje binnenleidde.

‘Het is mij een groot genoegen u voor te stellen aan uw zoon Hannibal’ zei meneer Tadish. ‘Eens een arme wees, nu aan het begin van een beter leven.’ Hij duwde Hannibal naar voren in de richting van zijn nieuwe ouders, vouwde zijn handen samen en glimlachte breed.

Herbert en Lydia staarden naar het kleine mannetje dat voor hen stond. Zijn kruin kwam nauwelijks hoger dan Herberts navel. Lydia was de eerste die iets durfde te zeggen.
‘Neemt u mij niet kwalijk, maar dit is niet precies wat we hadden verwacht.’
‘Verwacht?’ krijste Hannibal. ‘Wat is er mis met mij? Bevooroordeeld hè, jullie houden niet van kleine mensen. Ik ben klein maar wat er zich in mijn hoofd afspeelt, daar is niks mis mee.’
‘Maar.’ Herbert hapte naar adem. ‘Dit is geen kind, we zijn hier om ons kind op te halen.’
Meneer Tadish trok zijn wenkbrauwen op, haalde een brief uit zijn zak, vouwde hem open en begon te lezen: ‘We hebben heel veel ruimte, niet alleen in ons huis, maar vooral in ons hart. We hebben zoveel liefde te geven. We willen een ongefortuneerd kind helpen.’
Nu stak meneer Tadish zijn wijsvinger omhoog, keek de kersverse ouders een moment aan en las verder: ‘Het is geen probleem als het kind wat ouder is.’
Hij tikte op de brief. ‘Ziet u wel, u heeft het zelf geschreven. En daarbij, ik had u al verteld dat het kind een klein beetje ouder zou zijn dan op de foto.’
‘Een klein beetje?’ Herbert huilde bijna. ‘U heeft me een foto van een peuter gestuurd.’
‘Hoe oud ben je eigenlijk?’ vroeg Lydia aan Hannibal.
‘Ik ben 42,’ zei Hannibal. ‘Hoezo?’
‘Mijn God.’ Herbert verborg zijn gezicht in zijn handen.
‘Het is moeilijk om ouders te vinden voor onze oudere pupillen,’ zei meneer Tadish.
‘Ik heb 38 jaar in dit uitgewoonde oord gezeten en ik blijf geen minuut langer. Hebben jullie kleuren-tv?’ zei Hannibal.
De verpleegster boog zich over Hannibal heen en omhelsde hem. ‘We zullen je missen, Hannibal,’ zei ze en gaf hem een klein koffertje.
Meneer Tadish kuchte. ‘Goed,’ zei hij, ‘we houden u niet langer op want het is een drukke dag voor ons.’ Hij opende de deur.
Hannibal pakte zijn koffertje en stapte naar buiten. Herbert en Lydia volgden hem met bleke gezichten. Ze keken nog eenmaal om. De deur was al gesloten.

‘Schiet op,’ zei Hannibal. ‘Ik wil bij het raam zitten.’

LAAT EEN REACTIE ACHTER


4 × = tweeendertig

theme by teslathemes