Dromen

Ze zegt dat dromen belangrijk zijn. Mijn broer zegt dat ik een oogje op haar heb. Ze woont aan de overkant. Uit het raam kan ik haar achtertuin zien. Mijn broer heeft te veel vrije tijd. Hij zit de hele dag op me te letten.
‘Ze ziet er raar uit,’ zegt hij als hij ziet dat ik naar haar zit te kijken. ‘Veel te mager. Ik hou van rondingen.’ Hij beweegt met z’n handen om te laten zien hoe dat eruitziet. Overbodig. Ik weet hoe rondingen eruitzien.
Je moet je dromen hardop vertellen, of ze opschrijven. Anders raak je ze kwijt. Dat is wat ze zegt. Dus ik steek de straat over en klop op haar raam. Het is vroeg, maar dat geeft niet. Ze is altijd vroeg op, net als ik.
‘Ik kom er aan,’ lees ik van haar lippen. Ze maakt een drinkgebaar. Ik knik en hou mijn duim omhoog.
Ik leun tegen de tuinmuur en steek een sigaret op. Gitanes, haar merk. Ze komt naar buiten met twee bekers.
‘Ik was vergeten of je suiker in je koffie hebt.’
‘Maakt niet uit.’
Ze pakt een sigaret. ‘Vertel.’
‘Het ging over mijn moeder. Ik droomde dat ze kaal was, en doof, en ze had twee cochlear implants, van die grote hoorapparaten die het geluid direct naar je binnenoor te sturen. Alleen zaten ze niet achter haar oren, maar aan de achterkant van haar hoofd.’
In mijn ooghoek zie ik iets bewegen. Een man in onderbroek loopt haar huiskamer binnen. Hij krabt zijn buik en gaapt.
‘Wat eigenlijk nog gekker is, mijn moeder is al twaalf jaar dood.’
Haar ogen dwalen af, weg van de mijne. Ze glimlacht en steekt haar hand op. Ik kijk om. Mijn broer staat achter ons raam, te zwaaien.
Klootzak.

LAAT EEN REACTIE ACHTER


zes × 7 =

theme by teslathemes