Tsjechov

‘Ga nooit met vreemde mannen mee,’ zei mijn vader altijd, en ‘wees voorzichtig in het verkeer.’ Ik was klein en gehoorzaam, en had nog niets te kiezen. Behalve een verhaal uit het grote verhalenboek waar hij me elke avond uit voorlas.

Nu ben ik groot, en alleen, en de man naast me ziet er aardig uit. Grijze ogen en grijs aan de slapen. Manchetknopen. We drinken een Leffe en nog één. Buiten sneeuwt het. Nu nog terugrijden naar Amsterdam is niet verstandig. Ik heb wat te kiezen. Een hotel zoeken of op zijn uitnodiging ingaan.

Zijn huis staat in één van die leuke kleine straatjes van het oude deel van Brugge. Hij houdt de deur voor me open. Ik stamp de sneeuw van mijn schoenen op de groene deurmat. ‘Dit is Alewijn,’ zegt hij als we de huiskamer binnenlopen. Een hamster staakt zijn tocht in de tredmolen en kijkt me met donkere oogjes aan. ‘Hallo Alewijn,’ zeg ik.

‘Het is hier koud hè,’ zegt hij en wrijft met zijn handen over mijn armen op en neer. ‘Laten we lekker in bed kruipen.’ Hij pakt een stok met een haak en trekt een luik in het plafond open. Een opgeschoven trap verschijnt. ‘Vlizotrap,’ zegt hij terwijl hij de trap uitschuift. ‘Handige uitvinding voor als je weinig ruimte hebt zoals ik.’ Met een handgebaar laat hij me voorgaan.

De zolder is klein met schuine wanden. Ik moet onder een balk door duiken om bij het bed te komen en ga op de rand zitten. Uit de onderste la van een dressoir haalt hij een pyjama en geeft die aan mij. ‘Trek die maar aan,’ zegt hij, ‘ik heb hier geen kachel. Kruip er maar vast in. Ik haal beneden wat te drinken.’

Ik trek m’n kleren uit en de pyjama aan. Flanel, een beetje vaal met verbleekte rozen. Het bed is koud, ik leun tegen de kussens en trek de dekens op tot mijn kin.

Even later komt hij boven met twee bekers warme chocolademelk, geeft er één aan mij en zet de andere op het nachtkastje.

Ik kijk naar hem als hij zich uitkleedt. Naar het kleine plukje borsthaar, zijn knieën die een beetje uitsteken. Hij trekt ook een flanellen pyjama aan, één met lichtblauwe streepjes, en gaat naast me liggen. Pakt zijn beker en houdt hem even tegen de mijne. ‘Proost’, zegt hij. ‘Ik heb verlangd naar een moment als dit.’ Hij glimlacht. ‘Proost’, zeg ik terug.
Zijn hand pakt de mijne en we liggen even in stilte naar de balken te kijken. Dan zegt hij: ‘Hou je van Tsjechov?’ Ik knik. Hij begint te lezen:

‘De vlinder.
Al Óljga Iwánowas’s vrienden en goede bekenden waren op haar bruiloft.’

Hij heeft een mooie stem. Ik zak nog dieper onder de dekens, doe mijn ogen dicht en luister.

LAAT EEN REACTIE ACHTER


× twee = 4

theme by teslathemes